mrt 062012
 

Vorige week deed ik, universitair hoofddocent, drie dingen, die een universitair hoofddocent niet geacht wordt, te doen.

Ten eerste liep ik weg uit een situatie die ik onaangenaam en ook een beetje vernederend vond en waarin niemand het opnam voor het gemeenschappelijk belang, terwijl enkele mensen heel goed door hadden, wat er aan de hand was maar lekker niets deden. Een professional hoort dit niet te doen, zeker niet in deze tijden. Als de media doorhebben dat iemand wegloopt, kan hij zijn verdere carrière wel vergeten. Het voorlaatste Duitse Staatshoofd (Köhler, niet Wulff), liep boos weg toen hij zich uiterst onrechtvaardig bejegend voelde, en men verweet hem dat hij niet alleen zichzelf maar ook zijn ambt daardoor beschadigd had.

Ten tweede ging ik in staking. Als men zich niet wil gedragen, dan hoef ik ook niet mijn best te doen. We doen dit samen, of ik doe het niet. (Een uur eerder had ik nog eens uitgelegd dat een drietal hoog opgeleide, gemotiveerde, door de Nederlandse belastingbetaler goed betaalde docenten iedereen per week één uur kwaliteitsonderwijs van de bovenste plank in betrekkelijk kleine groepen aanbiedt, terwijl daar eigenlijk geen mankracht voor is. En dat deze docenten zich afvragen, waarom daar zo veel mensen geen gebruik van maken, terwijl het veel nuttiger is dan het volgen van een hoorcollege in een grote zaal, dat bovendien op video te bekijken is. Het antwoord was dat men niet bereid is om “voor dat halve uurtje” helemaal uit de Betuwe naar Nijmegen te komen.) Staking niet om hoger salaris maar voor betere werkomstandigheden en een klein beetje waardering. Maar ik heb snel geleerd dat men zoiets nooit alleen mag doen. Het heeft me een officiële klacht opgeleverd. Een “leraar” dient op te draven en te presteren, anders stuurt de leerling zijn grote broer met een honkbalknuppel. De directeur stond dan ook binnen de kortste tijd voor mijn kamerdeur.

Ten derde schreef ik een soort opiniestuk om mensen aan het denken te zetten. Over docenten die zich eenzaam voelen, die geen indicatie hebben of hun werk überhaupt gewaardeerd wordt, en over de verantwoordelijkheid van iedereen om bij te dragen aan een functionerende academische gemeenschap. Ik gaf aan dat ik verwacht dat studenten meehelpen dat de zaal aan het begin van een college tot rust komt, bijvoorbeeld door zoiets eenvoudigs als “sssst” of door een buurman even een signaal te geven.

Dit heeft veel reacties los gemaakt. Sommige werden onder het stuk gepost, andere bereikten me per mail, en er kwamen ook mensen om mondeling iets te zeggen. Een beetje bezwaard voelde ik me door mails waarin mensen uit de zaal hun excuses aanboden omdat ze niet door hadden dat het college begonnen was maar zelf stonden door te praten. Zo erg vond ik het ook weer niet. Dat men niet door heeft dat iets begint, daar kan ik wel inkomen, en ik neem het niemand kwalijk. Het ging me meer om de mensen die het wél door hadden maar niets deden.

Ik was er nog niet uit of ik op alle mails van mensen die niet deelnamen aan het openbaar debat persoonlijk moest reageren. Om me af te leiden en even iets anders te doen opende ik een boek van de oud-bondskanslier Helmut Schmidt op een willekeurige plek. Het eerste wat ik las waren de woorden:

„Ein Teil der aggressiven Jugend krankt in Wirklichkeit an einem Mangel an Zivilcourage auf Seiten der Erwachsenen. Man sollte doch um Gottes Willen als Erwachsener eigene Feigheit nicht als Toleranz camouflieren.” (Helmut Schmidt: Maximen politischen Handelns, 1981)

Vandaar deze nabeschouwing.

Een klein aantal reacties zegt dat een docent die zoiets doet fout is. Hij dient de orde te handhaven en de lessen te geven waar men recht op heeft. Daar tegenover staan dus excuses van mensen die vinden dat ze zelf fout waren.

Een aantal mensen gebruikt de gelegenheid om te zeggen dat ze mijn colleges en mijn manier van college geven waarderen. Dat doet goed, want zoiets hoor in onze cultuur eigenlijk nooit.

Meer te denken geven reacties die erop neer komen dat een docent die in zijn studenten volwassen mensen ziet en deze als partners in de academische gemeenschap beschouwt, zich overtrokken idealen veel te zeer aantrekt. De docent moet zich er niets van aantrekken. Peuters bij een sinterklaasviering, zo lees ik bijvoorbeeld, zijn nu eenmaal geen volwassenen, en een college heeft niets met een concert te maken. Het is maar goed, dat veel mensen achterin de zaal willen zitten, zo heeft de docent minder last van hun geklets. – Tja, als dat zo is, zit ondergetekende op de verkeerde plek. Waarbij de plek fout  geworden is, niet de docent. Het faillissement van academisch onderwijs! En, eerder, van het VWO, dat immers meerderjarige burgers dient af te leveren die gemotiveerd kiezen voor een studie aan een universiteit, geen peuters. Ik trek me er dus wél iets van aan. Ik wil gewoon niet dat dit het beeld van studenten aan een universiteit is. Maar ik weet, ze vertellen me dagelijks dat ze al dan niet “op school” zijn, “klasgenoten” hebben en niet weten hoe “die leraar” ook weer heet.

Het beeld wordt bevestigd door reacties die uitleggen waarom je als student niet kunt meehelpen dat je college fatsoenlijk begint. Men kent niemand. Anderen doen het ook niet. Of men werkt wel degelijk mee, juist door zelf stil de zijn. Verder moet de docent de daders aanpakken en de aardige mensen belonen. Terwijl niet meer gevraagd is dan een signaaltje richting medemensen. Studenten 2012 zijn kennelijk veel banger en onzekerder dan ik mogelijk had geacht. Een paar jaar geleden was dat overigens nog niet het geval. (Sommige van deze reacties proberen overigens zeer zorgvuldig uit te leggen waarom mijn verwachtingen niet adequaat zijn, hetgeen ik waardeer.)

Maar Willibrord heeft gelijk: dit alles dringt niet door tot de kern. Helmut Schmidt doet dat wel, nietwaar Willibrord?

Ik citeer uit een mail die me vandaag bereikte:

„Ten eerste wil ik kwijt dat het goed is dat u een signaal heeft afgegeven dat aangeeft dat u de sfeer in de colleges anders wilt zien. Dat er weinig tot geen directe reacties van waardering voor uw colleges of excuses voor ons gedrag zijn gekomen, heeft misschien wel te maken met het plotselinge karakter van het signaal. Veel studenten volgen voor de eerste keer colleges van u en hebben niet opgepikt dat ons gedrag u zo hoog zat. Dit komt ook doordat “ons gedrag” vrij constant is over alle colleges die wij volgen. Uw signaal is dus een van de zeldzame keren is dat we hierop worden aangesproken. Dit is natuurlijk geen excuus, als het plezier in het doceren van de docenten eronder lijdt, zijn er zeker een aantal studenten die hun gedrag tijdens de colleges willen aanpassen.”

Ik hoor geregeld van andere docenten dat ze erg ontevreden zijn met de orde in hun colleges. Dat iedereen zit te praten en docenten niet weten wat ze daar tegen moeten doen. Er zijn ook docenten die daar niets aan willen doen omdat ze dat onder hun waardigheid vinden. Het moet gewoon vanzelf goed komen. En tegelijkertijd worden studenten door universiteit en overheid steeds meer betutteld (zie De angst regeert), maar dan wel buiten de colleges, op gebieden waarop ze eigenlijk individueel met hun verantwoordelijkheid zouden moeten kunnen omgaan. Alsof je in de Vereeniging tijdens een concert mag praten en bellen, maar de Stichting voor Kamermuziek wél controleert hoeveel platen je koopt en thuis draait. Als je een bepaald aantal niet bereikt, verlies je je abonnement.

Een oud-collega, niet meer in het onderwijs, vroeg me waarom ik niet bij ordeproblemen een paar mensen door de portier uit de zaal laat zetten. Afgezien ervan dat dit vorige week een veel te zwaar middel zou zijn geweest, moet ik er niet aan denken. Geen directeur of decaan zou zoiets steunen. Het zou studenten kunnen kosten. Rendementen, academische vrijheid, zelfontplooiing. Het moet allemaal leuk en lekker blijven. Maar als studenten dan thuis komen, lezen ze dat ze weer eens over een kam geschoren worden en een bindend studieadvies uit een spreadsheet krijgen of verhoogd collegegeld moeten betalen terwijl ze niet eens gebruik maken van resources van de universiteit. Als schapen worden ze door de universitaire bio-industrie gepompt, maar kort voor de slacht mogen ze nog eens lekker kwekken in de collegezaal, want dat is diervriendelijk.

 

 

Hanno Wupper

  4 Responses to “De context van Academia 2012”

  1. Even een toelichting voor de duidelijkheid:
    Hanno schrijft “De directeur stond dan ook binnen de kortste tijd voor mijn kamerdeur.”
    Die directeur was ik dus, de onderwijsdirecteur I&I.
    Toen dit voorval mij ter ore kwam ben ik inderdaad naar Hanno’s kamer gelopen, maar niet vanwege een klacht van studenten (daar wist ik niets van) en ook niet om hem tot de orde te roepen of zo. Ik ging naar Hanno omdat dit een uitzonderlijke situatie is, ik van de direct betrokkene wilde horen wat er gebeurd was en omdat ik me voorstelde dat dit op Hanno grote impact had gehad en ik hem wilde steunen.
    Hanno was er overigens niet, maar we hebben aansluitend uitgebreid mailcontact herover gehad. Herman Geuvers

  2. Je vindt het uit de zaal laten zetten van een paar studenten een te zware maatregel, schrijf je. Dat begrijp ik niet:

    Een hoorcollege is alleen mogelijk wanneer de docent spreekt en de student luistert (eventueel reageert op het verhaal van de docent). Wanneer bepaalde studenten het verzorgen van het college onmogelijk maken door met elkaar te gaan kletsen, dan verstoren zij de orde die op dat tijdstip op die plek heerst. Het lijkt mij een uiterst acceptabel iets om ze te vragen te zwijgen, wanneer ze dat niet doen ze te vragen of ze hun gesprek buiten de zaal willen voortzetten en wanneer ze ook dat niet doen, de portier erbij halen om ze te verwijderen, zodat de docent en de rest van de studenten kunnen doen, waarvoor ze gekomen zijn, betaald hebben resp. betaald worden.

    Decanen of directeuren die een dergelijk beleid niet zouden steunen, kunnen hun studenten net zo goed het papiertje geven zonder er een onderwijsprestatie tegenover te zetten, want zij zouden het onderwijs niet serieus nemen. Waar dit uiteindelijk toe leidt, heeft de situatie bij InHolland genoegzaam aangetoond.

    • Ik ben het met je eens. Alleen in het onderhevige geval zou ik zo’n maatregel veel te zwaar hebben gevonden, omdat er geen sprake van opzet was.

      Eens in de ongeveer drie jaar zet ik zelf twee of drie mensen uit de zaal. Het gaat dan om mensen die hardnekkig tijdens het college met elkaar kwekken. Als ik er twee keer eerder iets van gezegd heb en het weer gebeurt, kijk ik ze aan, wijs met mijn vinger en roep: “En jullie gaan er NU uit. NU! ERUIT!” Ik schrik er zelf van, maar het was een authentieke reactie. Tot nu toe heeft het altijd gewerkt. De kindertjes (want het waren in casu altijd kindertjes) druipen af, en de rest van het semester heb ik nergens meer last van.

      Misschien onderschat ik onze decanen en directeuren als ik weinig steun verwacht in het theoretische geval dat hardere maatregelen nodig zouden zijn. In dit geval mijn excuses richting hen. Maar ik denk dat ik niet de enige docent ben die voelt dat hij op weinig steun kan rekenen in situaties die niet ‘normaal’ zijn. ‘Normaal’ is door een microfoon praten en het geluid harder te zetten en verder niet opvallen – iets dat me niet ligt.

  3. Best veel tekst, wat mij betreft, dus ik wil alleen nog reageren met een plaatje dat dochter Eva ooit voor me tekende opdat ik ermee kon illustreren dat een onderwijsvernieuwende docent lelijk in de problemen kan komen als de andere docenten alles laten zoals het is. (Ik beschouw Hanno’s aanpak als onderwijsvernieuwend; ook al zie je daarvan in deze discussie vooral het consequent uitgaan van de volwassenheid van studenten). De student weet niet wat-ie ermee aanmoet omdat ie alleen de boerenkool gewend is.

    Ah, toch weer veel tekst. Oh ja, ik zelf heb in mijn vorige vorige baan eens in een docententraining er twee tegelijk uitgegooid wegens totaal obstructief gemopper over alles. Daarna schoot de inschrijving voor die training omhoog. Het helpt echt.

    Hou vol Hanno & zielsverwanten! W’brd

 Leave a Reply

(required)

(required)

You may use these HTML tags and attributes: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>