mrt 052010
 

“Ze winnen in Den Bosch blijkbaar liever de homo’s dan de katholieken!” lezen we op de pagina van Cor Mennen, docent kerkelijk recht aan het seminarie van het bisdom ‘s-Hertogenbosch, gedelegeerde voor liturgie van de bisschop van ‘s-Hertogenbosch en lid van het kathedraal kapittel.

Kennelijk kun je niet tegelijk homo en katholiek zijn.

Gereformeerde ambtenaren burgerlijke stand weigeren man met man voor de wet te verbinden omdat dit tegen hun geloof is. Duitse katholieke bisschoppen argumenteren dat de Duitse grondwet het gezin beschermt en dus twee mannen nooit met elkaar mogen trouwen.

Kennelijk kun je niet tegelijk gezinnen beschermen en mannen hun onderlinge rechtspositie laten regelen.

Dit schijnt allemaal met de bijbel te maken te hebben, waar iets als doodzonde bestempeld wordt. Maar wat eigenlijk precies? Oordeelt u zelf: וְאִישׁ אֲשֶׁר יִשְׁכַּב אֶת־זָכָר מִשְׁכְּבֵי אִשָּׁה תֹּועֵבָה עָשׂוּ שְׁנֵיהֶם מֹות יוּמָתוּ דְּמֵיהֶם בָּם׃ (Leviticus 20, 13) Het is vast duidelijk, maar toch leest de ene vertaler hier “man” waar de ander – niemand minder dan Luther – “knaap” leest. Men is het er ook niet over eens of ik met die man of knaap niet mag doen wat ik met mijn vrouw doe of dat ik niet mag doen wat anderen met hun vrouwen doen. Ethisch geen gering verschil. En wat als ik geen vrouw heb? Afgezien van het anatomische feit dat men helemaal niet met een man kan doen wat men volgens de scheppingsorde met vrouwen geacht is te doen[1][2]. Hoe stelt een almachtige, alwetende god, die zich zo vaag uitdrukt, zich een rechtvaardige handhaving van zijn wetten voor?

De kerk weet het.

Katholieke priesters en broeders mogen van oudsher samen wonen onder één dak, ook samen met jonge jongens. (Dit is niet cynisch bedoeld, leest u maar gewoon door!) Ze mogen ook contracten sluiten om elkander te verzorgen bij ouderdom en ziekte. Klooster heet dat. Twee respectabele, zich zelf als gelovige katholieken beschouwende mannen, die van elkaar houden en beiden misschien al jaren geen seks meer hebben gehad, mogen dit van de kerk niet, want het is een doodzonde, zo erg dat een ambtenaar burgerlijke stand het niet kan opbrengen om aan een regeling betreffende het burgerlijk wetboek mee te werken. Waarbij het nog de vraag is of de sex die ze toch al niet hadden onder het verbod valt. En volgens Cor van Mennen en de door hem aangehaalde priesters mogen ze zeker niet deelnemen aan het avondmaal.

Hoe valt de argumentatie rond te krijgen van het multi-interpretabele verbod in Leviticus 20, 13 naar het verbod om onder een dak samen te leven en zorgcontracten te sluiten?

Omgekeerd: Wat voor een beeld heeft een bisschop en zijn gedelegeerde eigenlijk van mij als hij hoort dat ik met een man samenwoon? Dat ik iedere dag mijn geslachtsdeel in een darmuitgang steek? En als ik zoiets helemaal niet aantrekkelijk vind, nooit heb gedaan en nooit zal doen? Moet ik zelfstandig gaan wonen om aan deze beeldvorming te ontkomen?

Rationalitas.nl biedt u vandaag een instrument om allereerst eens uw eigen standpunt helder te krijgen en te vergelijken met die van anderen:

Analyseer uw eigen mening!

We zullen hier regelmatig de tussenstand publiceren. En uw reacies zijn hieronder welkom.

Hanno Wupper

lees ook:

Hanno Wupper

  9 Responses to ““Liever de homo’s dan de katholieken!” – Hoe bedoelt u?”

  1. Het hebreeuwse woord zākār, dat hier door Luther met „Knabe“ vertaald wordt, heeft de betekenis „mannelijk”, in tegenstelling tot vrouwelijk. Luther vertaalt het elders vaak met „Mannsbild“. Het kan voor mannen van alle leeftijden gebruikt worden, b.v. in Gen 1:27. Met expliciete leeftijden, dus duidelijk niet alleen voor kinderen, in Lev 27:3vv., Num 3:40, 2 Kron 31:16. Het wordt zonder onderscheid gebruikt voor (normaal) seksueel actieve (dus volwassen) mannen (Num 31:18, Richt 21:12, Jer 30:6) en voor kleine kinderen (Lev 12:2, Lev 12:7, Jes 66:7, Jer 20:15). Het wordt gebruikt bij besnijdenis van volwassen mannen en van jongetjes (Gen 17:10, Gen 17:14, Gen 34:15, Ex 12:48, Joz 5:4). Het kan ook gebruikt worden voor mannelijke dieren (Gen 6:19, Ex 12:5, Ex 13:12, Mal 1:14) en zelfs voor mannelijke afgodsbeelden (Dtn 4:16, Ez 16:17).

    Uit het gebruik van zākār in Lev 20:13 kan dus geenszins geconcludeerd worden dat dit vers uitsluitend of hoofdzakelijk over pedofilie zou spreken. Het gaat over mannen van alle leeftijden.

  2. Van de 11 internationale bijbelvertalingen die ik geraadpleegd heb spreekt alleen de Luthervertaling van 1545 over een knaap, de anderen hebben het zonder uitzondering over een man. De uitleg van David Jansen meenemend moet ik concluderen dat Leviticus 20:13 vrij eensluidend oordeelt, dat een man die het bed deelt met een andere man, zoals met een vrouw, een gruweldaad begaat, die zij beiden met de dood moeten bekopen. Maar het letterlijk nemen van deze tekst roept natuurlijk direct de vraag op hoe het komt dat niemand in de Westerse wereld – gelovig of niet – het vandaag de dag in zijn hoofd haalt om te eisen dat homoseksuelen ter dood worden gebracht (en dat staat er toch echt, in alle 11 de versies die ik gelezen heb). Blijkbaar neemt ook de Katholieke Kerk Leviticus 20:13 niet letterlijk, blijkbaar heeft deze bijbeltekst een evolutie ondergaan. En aangezien dat het geval is, doet zich dus met recht de vraag voor tot waar deze tekst is geëvolueerd, wie dat bepaalt en waar/wanneer deze evolutie ophoudt.

    • Vroeger was excommunicatie waarschijnlijk een doodsvonnis. Wie niet meer bij de kerk hoorde mocht gewoon worden doodgeslagen. Ondertussen is de katholieke kerk milder geworden: je wordt niet geëxcommuniceerd, alleen, als tenminste priesters als Cor Mennen hun bisschop tot inzicht brengen, van het altaar geweerd. Ook het volk is milder geworden en knapt het vuile werk niet langer op. Kun je nog dieper zinken?

      Blijft de vraag van Hanno Wupper, hoe je met een man het bed kunt delen zoals met een vrouw. Heeft dit met transsexualiteit en operaties te maken?

  3. Eigenlijk zijn de meeste godsdiensten door mannen verzonnen. En mannen houden van regels, controleren en (een ander)straffen. Ze dateren uit de tijd van voor de rechtspraak. Maar godsdiensten zijn er ook om mensen gerust te stellen, voor bv de angst voor het leven na de dood. Voor verklaring van dingen die mensen vroeger niet begrepen. De meeste godsdiensten zijn totaal-pakketten.
    Het oude joodse en het christelijke geloof zijn bang voor homosexualiteit.
    Ik denk dat je als homosexueel niet moet proberen een stuk uit het totaalpakket te veranderen.
    Je kunt je beter bezighouden met de rest van het pakket, of nog beter : wat heb je er te zoeken?

  4. U haalt in uw artikel nogal wat zaken door elkaar. Laat ik het evan op een rijtje zetten.

    De bronnen. Voor de Kerk is een belangrijkrijke bron de Bijbel. Zowel in het oude als het nieuwe testament vinden we duidelijke teksten tegen homoseksualiteit. Slimme mensen laten daar tegenwoordig een slimme hermeneutiek op los die in staat is om die teksten ongevaarlijk te maken. Voor prostestanten wordt het dan heel moeilijk om staande te blijven. Sola scriptura, niet waar? De katholieke Kerk kent echter als aanvullende bron van openbaring de Traditie (de Goddelijke Overlevering), dat zijn zaken die de Kerk door de eeuwen heen, ook als ze aangevallen worden, blijft erkennen als behorende bij de apostolische Traditie. Volgens de katholieke Kerk moet de Bijbel die soms voor meerderlei uitleg vatbaar is, gelezen worden in het licht van de Traditie. Dan is het heel duidelijk hoe de Kerk over homoseksualiteit denkt. Ze wijst alle homoseksuele daden buiten het huwelijk tussen een man en een vrouw af, dus ook homoseksuele daden. Ze doet dat op grond van de natuurwet. Al volgens de apostel Paulus in de Romeinenbrief kan men God en zijn wil uit de schepping leren kennen. De natuurwet in zedelijk opzicht is dus de bedoeling van God zoals we die uit de schepping kunnen aflezen. Wat seksualiteit betreft is dat ook niet heel moeilijk. Het zal voor iedereen duidelijk zijn dat man en vrouw geschapen zijn om elkaar aan te vullen, om elkaar geestelijk en lichamelijk aan te vullen, om elkaar een leven lang tot steun te zijn. En binnen die liefdevolle twee-eenheid kan nieuw leven veilig worden doorgegeven en opgevoed. Heel de seksuele moraal van de Kerk is op dit redelijke gegeven gebaseerd.
    Mag seks voor het huwelijk? Nee, want dan is het geen uitdrukking van onverbrekelijke eenwording en het niet veranttwoord leven door te geven.
    Mag zelfbevrediging? Nee, want die daad is niet gericht op de liefde tot de ander.
    Waarom moet je trouwen voor je samenleeft? Omdat de daad van eenwording een leugen is, als hij geen echte eenheid uitdrukt en in een dergelijke voorlopige samenleving een kind een onzekere toekomst heeft.
    Dat wij al deze dingen kunnen versluieren door de anticonceptie, maakt niet dat het van nature en wezenlijk niet zo zou zijn.
    Daarmee zijn homoseksuele daden ook moreel ongeoorloofd omdat ze in zich (intrinsiek) altijd tegennatuurlijk zijn, volledig tegen de bedoeling die goed met de seksualiteit heeft.
    Dat zelfde geldt voor pedofilie, bestialiteit etc

    Veel mensen zeggen: ja maar, zij hebben er niet voor gekozen homo te zijn. Dat is zo, maar dat hebben pedofielen ook niet. Het feit dat men niet voor gekozen heeft, betekent niet dat het moreel geoorloofd zou zijn deze daden te stellen.
    De Kerk zegt dat homo’s hun seksualiteit moeten proberen te sublimeren in kuise vriendschappen. Ze moeten dus celibatair leven. Daarmee delen ze het lot van een weduwen of weduwnaars die geen nieuwe partner vinden. Of van de man wiens echtgenote op jonge leeftijd in een verpleegtehuis terecht komt etc.

    Homoseksualiteit is volgens de Kerk geen “vondst van de Schepper” zoals sommigen beweren maar een van de gevolgen van de gebrokenheid van het menselijk bestaan zoals we dat sinds de zondeval van de eerste mens kennen. Het heeft te maken met het mysterie van het kwaad zoals het zich in ziekten, rampen, misvormingen etc in deze wereld manifesteert.

    U noemt het woord “oordeel”. Het eigenlijke oordeel is aan God. Hij kijkt in het binnenste van de mens. De Kerk probeert de mens te wijzen op morele eisen die bij het oordeel een rol spelen (gewetensvorming). Zij probeert bovendien in haar publieke leven de concretisering van die morele eisen te bevorrden door mensen die publiek en habitueel van deze normen af wijzen van de eucharistische communie af te houden. Maar dat nog geen goddelijk oordeel maar wel een ernstige vingerwijzing.

    Met vr. groet

    C. Mennen pr

  5. “Overpeinzingen bij het lezen van artikelen en beantwoorden van vragenlijsten over homoseksualiteit':

    Wat ik soms lastig vind in het lezen over homoseksualiteit is dat het zo etalerend naar mij toekomt. Alleen al het expliciet er over schrijven kan al stigmatiserend werken – gerichtheid op het lichamelijke, het seksuele. In die beschrijvingen gaat ‘t dan over mensen die in een hokje worden gestopt en/of over één kam geschoren, terwijl het mensen zijn met een hart en een ziel, om het maar even in het algemeen te zeggen. Om de één of andere reden dreigt het zo ‘speciaal’ gemaakt worden. Het jezelf neerzetten als …..seksueel roept op zo’n moment weerstand bij me op. Ieder mens is veel meer dan een seksueel, een lijflijk iemand, maar bij homo’s lijkt het alsof ze in hun beschrijving over hetgeen ze beleven alleen maar ….seksueel zijn.

    Natuurlijk, als het de schrijver lukt om open, zonder voorbehoud en vooroordeel te schrijven over zijn ervaringen (= gedachten, gevoelens, lichamelijke gewaarwordingen) rondom homoseksualiteit en kerk, kan dat interessant zijn, zeker in het licht van het recente incident rondom de homoseksuele prins carnaval en de weigerachtige priester. Maar juist daar roept het artikel en de vragenlijst vragen bij mij op. Wat is de diepere motivatie om daarover te schrijven? Wil de auteur aanklagen? Wil hij medestanders? Wil hij provoceren? Of wil hij “een bijdrage leveren aan de ontwikkeling van de kritische mens, die verantwoordelijkheid neemt voor zijn eigen handelen en voor de hem omringende wereld”, zoals het zo mooi op de voorpagina van Rationalitas geschreven staat? Is hij zelf wel kritisch ten aanzien van zichzelf? Reflecteert hij op en neemt hij de verantwoordelijkheid voor zijn persoonlijke motieven om zaken over homoseksualiteit kenbaar te maken? Of blijft het aan de oppervlakte; mentaal, rationeel, wetenschappelijk? Zeker als het gaat over zoiets persoonlijks als de keuze voor een lief (man of vrouw), kan daar niet alleen maar op een rationele manier over geschreven worden, want dat zou vervreemdend zijn. En saai.

    Ik vind het lastig er woorden aan te geven, maar bij mij gaat weerzin een rol spelen (en dat zegt ongetwijfeld ook veel over mijzelf) als ik bij het lezen van artikel en vragenlijst de indruk krijg dat ik iets moet vinden, het ergens mee eens moet zijn, of iemand moet steunen, zeker wanneer ik de vragen koppel aan mijn langdurige en diepe vriendschappen met (getrouwde) homo’s en lesbo’s. Ik wil niets opgedrongen krijgen, en al helemaal niet dat ik ‘t er mee eens moet zijn, en zoiets bespeur ik al gauw in deze artikelen. En als ik het dan geouwehoer vind, loop ik het risico om het verwijt van discriminatie of afwijzen van homoseksualiteit naar mijn hoofd geslingerd te krijgen.

    Tot zover mijn overpeinzingen……

  6. Overpeinzingen bij het lezen van artikelen over homoseksualiteit

    Wat ik soms lastig vind in het lezen over homoseksualiteit is dat het zo etalerend naar mij toekomt. Alleen al het expliciet er over schrijven is dan al stigmatiserend. In die beschrijvingen gaat ‘t dan over mensen die in een hokje worden gestopt en/of over een kam geschoren, terwijl het mensen zijn met een hart en een ziel, om het zo in het algemeen te zeggen. Maar om de een of andere reden moet het door die mensen zelf zo ‘speciaal’ gemaakt worden. Het jezelf neerzetten als …..seksueel roept op zo’n moment weerstand bij me op. Ieder mens is natuurlijk veel meer dan een seksueel iemand, maar bij homo’s lijkt het soms alsof ze in hun beschrijven alleen maar ….seksueel, alleen maar lijflijk zijn.

    Natuurlijk, als het de schrijver lukt om open, zonder voorbehoud en vooroordeel te schrijven over bv homoseksualiteit en de kerk, kan dat interessant zijn, zeker in het licht van het recente incident rondom de homoseksuele prins carnaval en de weigerachtige priester. Maar juist daar roept het artikel vragen bij mij op. Wat is zijn diepere motivatie om daarover te schrijven? Wil hij aanklagen? Wil hij medestanders? Wil hij provoceren? Of wil hij “een bijdrage leveren aan de ontwikkeling van de kritische mens, die verantwoordelijkheid neemt voor zijn eigen handelen en voor de hem omringende wereld”, zoals het zo mooi op de voorpagina van Rationalitas geschreven staat? Is hij zelf wel kritisch ten aanzien van zichzelf? Reflecteert hij op zijn persoonlijke motieven om zaken over homoseksualiteit kenbaar te maken? Neemt hij verantwoordelijkheid voor zijn motieven? Of blijft het aan de oppervlakte; mentaal, rationeel, wetenschappelijk, dus afstandelijk? Zeker als het gaat over zoiets persoonlijks als de keuze voor een lief (man of vrouw), kan daar niet alleen maar op een rationele manier over geschreven worden, want dat zou vervreemdend zijn. En saai!

    Ik vind het lastig er woorden aan te geven, maar bij mij gaat weerzin lopen (en dat zegt ongetwijfeld ook veel over mijzelf) als ik bij het lezen van artikel en vragenlijst de indruk krijg dat ik iets moet vinden, het ergens mee eens moet zijn, of iemand moet steunen, zeker wanneer ik de vragen koppel aan mijn langdurige vriendschappen met (getrouwde) homo’s en lesbo’s. Ik wil niets opgedrongen krijgen en zoiets bespeur ik al gauw in deze artikelen. En als ik het dan geouwehoer vind, loop ik het risico om het verwijt van discriminatie of ‘afwijzing van homoseksualiteit’ naar mijn hoofd geslingerd te krijgen.

    Tot zover mijn overpeinzingen…..

  7. In de enquête wordt geen onderscheid gemaakt tussen huwelijk, geregistreerd partnerschap en privaatrechtelijke overeenkomst, terwijl dit wel een relevant onderscheid is.

    Het huwelijk houdt meer in dan alleen een privaatrechtelijke overeenkomst. Het heeft b.v. ook gevolgen voor het vreemdelingen- (d.i. verblijfs-) en nationaliteitsrecht. Het heeft ook andere familierechtelijke gevolgen dan een geregistreerd partnerschap. Dat maakt duidelijk dat de Nederlandse staat ook tegenwoordig het huwelijk als de meest geschikte samenlevingsvorm beschouwt om eigen, natuurlijke kinderen te verwekken/baren en op te voeden. Het kan uiteraard gebeuren dat van deze norm afgeweken wordt, maar dat moet een uitweg uit een noodsituatie blijven (b.v. adoptie van wezen).

    Tenminste één kerk (de Christelijke Gereformeerde Kerk) heeft een expliciete definitie van huwelijk in haar kerkrecht opgenomen, die duidelijk maakt dat een (burgerlijk) homohuwelijk geen huwelijk in de zin van de kerk is. Ik kan me voorstellen dat meer instellingen en mensen dat vinden, maar geen bezwaar hebben tegen een juridische regeling van het gemeenschappelijke huishouden. Ik herinner me specifiek een (zwitserse) christelijke politica uit de Parti Libéral Vaudois die zelfs een dergelijke regeling voorstelde, maar een homohuwelijk nooit zou ondersteunen.

  8. Probeer het eens met een ander mens- en wereldbeeld? Hier een stukje uit de inleiding van mijn komende boek over Afrika:

    “Ik zie het bevorderen, respecteren, bevorderen en handhaven van alle mensenrechten als de opperste vorm van beschaving van mensen, van landen en van de mensheid. Mensenrechten spelen tegelijk hun rol als utopie, als ideaal en als uitdaging. Zij zijn in de mensenwereld beter en bruikbaarder dan welke politieke of godsdienstige ideologie dan ook. Als het totaal aan mensenrechten serieus genomen wordt, en daar zijn ze voor , dan heeft dit heeft vergaande consequenties voor handelende mensen en hun organisaties. Het respecteren en verdedigen van de universele mensenrechten in hun totaliteit en samenhang is in mijn opvatting daarom per definitie bovengeschikt aan elk politiek en religieus discours. Gelovige aanhangers van verschillende godsdiensten denken daar doorgaans anders over. Die stellen dan hun goddelijke wetten en de wetten van hun heilige boeken boven door mensen ontwikkelde wetten en rechten. Er is dan nog een lange weg te gaan om te komen tot een rechtvaardige wereldsamenleving. Misschien zijn die andere wegen daar uiteindelijk ook geschikt voor, of komen ze ergens bij elkaar zodat samen verder gereisd kan worden. De kern van de wereldgodsdiensten en die van de internationale mensenrechten vallen aardig samen, behalve op dat dogmatische punt van de bovenschikking van het goddelijke boven het menselijke.

    Waar het mij gewoon om gaat is, kort samengevat:
    ‘ Alle mensen, waar ook ter wereld en in alle tijden, streven naar leven en overleven, naar een aanvaardbare kwaliteit van leven, naar menselijke waardigheid en naar geluk en harmonie. Tegelijkertijd zijn zij bezig met zingeving. Dat is het omgaan met de vragen over ’waarom’- en ‘waartoe’- , ‘waar vandaan-‘ en ‘hoe komt het dat?’-, die gevoed worden door een menselijk besef van de tijdelijkheid en de relativiteit van het leven dat gekend wordt, en van de onvermijdelijke sterfelijkheid en de onbekendheid met mogelijk leven voorafgaand aan dit leven en met eventueel leven daarna’.

    Dat zijn vragen die door godsdienst, filosofie, spiritualiteit, sprookjes, balladen, mythologie en de wetenschap worden behandeld. Zo leven mensen hun dagelijks leven, begeleid door geesten en goden, door angsten en onzekerheden, door groeiende kennis en inzichten, door kansen en mogelijkheden, en door de onvermijdelijkheid, de wil van god of goden, de willekeur, het lot, het fatum en de chaos.

    Daarbij komt nog dat mensen het moeten doen met het ‘menselijk tekort’: de mens wordt geboren als een onvolmaakt wezen. De utopie wordt nooit bereikt, samenlevingen en culturen zijn per definitie onvolmaakt en ontoereikend, geloof en wetenschap bieden altijd onvoldoende duidelijkheid en zekerheid, en mensen zullen altijd keuzen moeten blijven maken vanuit onzekerheden en beperkingen. Mensen zijn tegelijk zowel individualistisch, egoïstisch als collectief, zorgend en delend, en zij maken keuzen tussen deze grondhoudingen binnen de culturele complexen waarbinnen zij leven, die deze houdingen voor een groot deel bepalen. Mensen streven naar macht over de ander, naar het domineren en onderwerpen van de ander. Er zijn ook mensen die onderworpenheid en dienstbaarheid als deugd zien. Mensen streven ook naar menselijke warmte, waardering en genegenheid. Mensen zijn genotzuchtig en hebzuchtig. Maar zij kunnen ook ascetisch en altruïstisch zijn. Mensen zijn ook bereid en in staat geweld tegen elkaar te gebruiken, wreed tegen elkaar te zijn, te martelen, te verkrachten, te doden en daar zelfs van te genieten. Dat schijnt de mens te onderscheiden van het dier. Als mensen kennen wij ziekte, gebrek, en lijden. Iedereen kent wisselende zekerheden, onzekerheden en twijfels. De mens is in essentie een twijfelend wezen. ‘Ik twijfel dus ik ben’. Voor mensen die geen twijfels kennen, moeten wij oppassen.

    Mensen zijn in deze visie van nature evenveel geneigd tot ‘het goede’ als tot ‘het kwade’, en hebben door die spanning tussen het utopisch streven, het existentieel verlangen, de angst voor en de aantrekkingskracht van het onbekende, het frustrerende menselijke tekort, de hiermee samenhangende complicaties van seksualiteit, erotiek en doodsangst, van schuldbesef en moraliteit, moeite om hun samenlevingen goed in te richten. Dit is in wezen de voortdurende spanning tussen de menselijke natuur en de cultuur van de menselijke samenlevingen. Dit alles maakt mensen universeel. Het blijft altijd behelpen. Dat doen mensen met behulp van cultuur, instituties, regelingen, afspraken, de inrichting van de samenleving. Om de mens daarmee te helpen ontstonden de gedragsvoorschriften van de families, de clans, de gemeenschappen, de godsdiensten en later de wetten van de nationale samenlevingen.

    Het begrip van het ‘menselijk tekort’ werd verder uitgewerkt door tijdgenoten van Malraux. Dat waren vooral de Franse denker Raymond Aron en de Amerikaanse denker Reinhold Niebuhr. Zij zagen het verschil tussen de individuele mens die volgens hen nog wel morele en idealistische houdingen kan hebben door zichzelf, zijn eigen belang te overstijgen om zo het belang van de grotere groep te dienen. Maar daarmee is het voor hen op, want de grotere groep zou dat zelf niet kunnen opbrengen; omdat die in wezen immoreel of amoreel is. Dat geldt bij deze denkers voor vriendenclubs en voetbalverenigingen, maar evenzeer voor gemeenschappen, samenlevingen en staten. Deze vorm van ‘sociaal pessimisme’ is mogelijk eigen aan de periode in Europa en Amerika tussen de wereldoorlogen en vlak daarna, en zag zich versterkt door de totalitaire systemen van nazisme en communisme. Tegelijk was het een pleidooi voor de amorele, vrije wereldmarkt.

    Maar er bestaan meer elementen in dit verhaal dan alleen natuurlijke aanleg en individueel redelijk denken. Intussen is er ook een besef ontstaan dat juist cultuur (met religie, filosofie, onderwijs, politiek, wetenschappen, kunsten) de brug moet slaan tussen het morele individu en de minder volmaakt morele groep of samenleving. De onvolmaakte mens schept zich per definitie een onvolmaakte samenleving, en probeert via zijn cultuur te werken aan een beschaafder en betere samenleving waarin de herkende en erkende zwakten worden gecompenseerd. Dat is een cumulatief leerproces van vallen en opstaan. Tussen de norm (ideaal) en de zwakte (beperktheid) wankelt de mens met zijn beschikbare kennis, talenten, middelen en methoden, verder door de tijd”.

 Leave a Reply

(required)

(required)

You may use these HTML tags and attributes: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <s> <strike> <strong>